Schutterij

We vinden allemaal wel eens schutterij kogels, maar waar komen die vandaan en wat is de geschiedenis erachter?

De schutterij of het schuttersgilde was een lokale militie opgericht in de middeleeuwen, bestaande uit burgers, om hun stad of dorp te beschermen en verdedigen bij een externe aanval van bijvoorbeeld rondzwervende roversbenden of vreemde legers en intern de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek.

De kerntaken van de schutterij waren aldus te vergelijken met die van de hedendaagse orde en hulpdiensten zoals politie, brandweer en het leger: het bewaken en bewaren van orde, rust en veiligheid van de burgers. De naam schutterij komt waarschijnlijk van het schieten.

Sociale taak

Het valt te betwijfelen of er sprake is van een echt gilde omdat het om plaatselijke “vrijwilligers” ging, die daarnaast ook nog een ander beroep uitoefenden. De gilden hadden aanvankelijk een sterk religieus karakter, ook de schutterij beschikte vaak over een eigen kapel en altaar. Naast de beveiligingstaken van de schutterij was ook de sociale taak van belang: het vaste onderkomen of lokaal van samenkomst van de plaatselijke schutterij werd door de leden ook gebruikt om allerlei lokale zaken te bespreken en om, zoals men tegenwoordig zegt, te ‘netwerken’. Vaak was er ook een soort ‘armenkas’ in de schutterij om behoeftige en zieke leden te ondersteunen. Na de Nederlandse Opstand speelde dit sociale karakter een steeds belangrijkere rol.

Officieren

Om toe te treden tot de schutterij moest men burger of poorter zijn van de stad en in staat zijn de uitrusting te bekostigen: de aanschaf van een wapen en functionele of status bevestigende kleding, zoals een hoed met een pluim of een zijden sjerp. De vaandrig was vaak een in het geel uitgedoste ongetrouwde jongeman; de kapitein was niet altijd afkomstig uit de wijk, als de buurt niet zelf een geschikte of betrouwbare kandidaat kon leveren. De schutterij was een steun voor het lokale gezag, omdat de officieren werden benoemd door het stadsbestuur. Voor de plaatselijke elite was het toetreden of uitdienen van een tweejaarlijkse periode vaak een opstapje tot andere, belangrijke posten.

Schutters

Bij toerbeurt (bijvoorbeeld een keer in de maand) liepen de schutters wacht onder leiding van een officier. Aan het begin van hun dienst werden de sleutels van de poorten afgehaald bij de verantwoordelijke burgemeester en in de ochtend weer teruggebracht. Het toezicht op de schutterij werd meestal toegewezen aan de jongste of laatst toegetreden burgemeester en lijkt een soort sluitpost te zijn geweest. Pas aan het einde van de 18e eeuw was er sprake van het invoeren van een soort wachtgeld om de aantrekkelijkheid en opkomst te verbeteren. Wie te laat kwam of onder invloed verscheen moest een boete betalen van enkele stuivers.

Uitvoering taken

Bij brand of gevaar moest de torenblazer, in dienst van de stad en die wacht liep in een hoog gebouw (meestal een kerktoren), de dienstdoende leden van de schutterij waarschuwen door in de richting van het gevaar te spelen. De schutters bevonden zich meestal in het wachthuis waar ze de tijd doorbrachten met diverse spelletjes zoals kaart spelen en onderlinge gesprekken.

Wapens

Schutterijen waren aanvankelijk gegroepeerd volgens het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog of het geweer en later naar hun wijk. Grotere steden waren vaak tegen externe bedreigingen beveiligd met stadswallen waarop kanonnen stonden opgesteld.

Ook deze wapens werden door de schutterij bediend. De kanonnen konden rond 1600 niet vaker dan twee of drie keer per tien minuten worden afgevuurd. Werden ze namelijk te snel herladen, dan was de loop nog te heet van het vorige schot en bestond de kans dat het nieuw geladen buskruit in het wapen voortijdig zou ontploffen. Voor het operationeel houden van een batterij (groep) kanonnen was een hele schare mensen nodig. De kern van het geheel werd gevormd door de bemanningen van de kanonnen. Deze kanonniers moesten in open veld worden beschermd tegen aanvallen van ruiters en voetsoldaten. Daarvoor waren er de piekeniers met hun lansen van 5,5 meter. Elk kanon stond op een onderstel, affuit genoemd.

Belegeringsaffuiten hadden grote wielen waardoor ze gemakkelijk te verplaatsen waren. Dit soort geschut had twee wielen en een zogenaamde grondschop aan de achterzijde om de terugloop tegen te gaan tijdens het vuren. Een schutterij had ook soms een rolpaard. Dit affuit heeft een viertal kleinere wielen en was aanvankelijk vooral op schepen te vinden. De terugloop van dit wapen werd tegengegaan door het eenvoudig met een flink touw vast te binden bijvoorbeeld aan een boom, of aan ringen in de stadswal. Later werd ook dit type op vestingwerken ingezet.

Hun oefenterreinen, de doelen, waren in bijna alle gevallen nabij deze stadsmuren, zodat de eventuele schade door onder andere ‘afzwaaiers’ beperkt zou blijven.

Export van de Europese schutterij

Tijdens de vorming van de koloniale rijken van de Europese handelsmogendheden werden er ook in de nieuwe koloniën schutterijen opgericht. Ook hier was hun taak dezelfde als in het Europese moederland: zorgen voor orde, rust en veiligheid. In de Amerikaanse koloniën waren in iedere stad van betekenis schutterijen actief. Ook in bijvoorbeeld de Nederlandse kolonie Suriname waren in 1742 acht schutters compagnieën geformeerd.

Over Metaaldetectie Benelux